“Haal de Koperen Hond!”
Ik hóór het mezelf zeggen, als ik in mijn Middeleeuwse outfit uit de stallen kom. Wijdbeens, alsof de kledinghanger nog in de broek zit. En zoals je motoriek zich aanpast aan de kledij, zo gaat dus ook je taalgebruik veranderen. Te droes!
Ik ben van Amsterdam 1961 en heb dientengevolge twee jeugdhelden: Johan Cruijff en Rutger Hauer. Preciezer: Rutger Hauer in de huid van Floris van Rosemondt, de polder-Ivanhoe die onvervaard te paard over de Veluwe galoppeerde, vastbesloten het hart te winnen van gravin Ada (die later nog eens opdook in De Fabriek als secretaresse van Dries Rustenburg en toen totaal niet meer sexy was, maar dit tussen haakjes). Resumerend: trek als Hollandse veertiger een ridderpak aan en je waant je in Floris, de legendarische televisieserie van Paul Verhoeven uit 1969. Enige realiteitszin is me daarbij niet vreemd: natúúrlijk weet ik dat ik er onder mijn helm op geen stukken na uitzie als de jonge blonde god die Floris destijds was. Maar voor zijn eeuwige kwelgeest, de door Tim Beekman zo subliem gespeelde dikke sergeant, kan ik moeiteloos doorgaan. En dus schreeuw ik naar mijn denkbeeldige onderknuppels dat ze de Koperen Hond moeten halen, het gevreesde kanon waarmee huurlingenleider Maarten van Rossem uit naam van Karel van Gelre wel even het kasteel van de door Floris gesteunde Wolter van Oldenstein aan puin zal gaan schieten.
Natuurlijk slaat dit helemaal nergens op. Ik loop immers niet tussen veertigers en vijftigers op een zandverstuiving bij Kootwijk, maar in het gezelschap van twintigers en dertigers – en dan ook nog eens op het Engelse platteland. Ik ben in Warwick, in het graafschap Warwickshire, waar The Knights Of Middle England resideren. The Knights Of Middle England is een gezelschap stoere mannen (plus een enkele stoere meid) dat de herinnering aan de tijd van ridders en jonkvrouwen levend wil houden. De tijd dat men woest brullend een gebraden kip in tweeën beet, bukte als een dame een zakdoekje liet vallen en een lans brak om in de gunst van diezelfde schone deerne te komen. Dat laatste gebeurde in de vorm van een steekspel, waarbij opponenten te paard op elkaar inreden, van zins elkaar met een lange lans van de rug van de viervoeter te stoten. En dat doe je niet zomaar, daar moet je flink voor trainen. En dat is exact wat bij The Knights Of Middle England kan. Naast demonstraties in het land verzorgen ze op het terrein van hun eigen Warwick International Riding School ook spoedcursussen ‘ridder te paard’, waarbij onderricht wordt gegeven in deze eeuwenoude techniek. Als bonus leert men er ook hoe je jezelf in een heus zwaardgevecht staande moet houden. Leg je het hele traject met goed gevolg af, dan word je aan het eind van de opleiding tot ridder geslagen en ontvang je een oorkonde. En in economisch barre tijden is elk nieuw diploma er één.
Aangezien The Knights veiligheid hoog in het vaandel hebben staan, gaan de aspirant-ridders elkaar eerst met een nepwapen te lijf. En zo kan het gebeuren dat ik op een druilerige maandagochtend met een schuimrubberen joystick op mijn tegenstander inhak, een confrontatie die geen wapengekletter, maar slechts doffe knallen laat horen – zo’n beetje het geluid dat een eerstedivisieduel als Telstar-Helmond Sport voortbrengt. ‘Doef... Doef... Doefdoef... Doef...’
Beslist een leuk tijdverdrijf, zo in de frisse lucht, maar het ridderbloed begint pas goed te stromen als we de echte wapens krijgen overhandigd. Vanaf de allereerste ‘Klang!’ is er geen houden aan. Leeftijd telt niet meer, als ik gelijk Tim Beekman in zijn beste dagen de wenkbrauwen van mijn opponent tracht te epileren. Bij wijze van spreken dan, want geheel conform de veiligheidsvoorschriften geldt er voor het duel een ijzeren choreografie. Hoog slaan, laag slaan, links van beneden naar boven zwaaien, rechts van boven naar beneden zwaaien... Zelfs een knietje in het kruis en het afsluitende doorsnijden der keel is tot in de puntjes geregisseerd, opdat we aan het eind van de ochtend in staat zijn een perfecte demonstratie te verzorgen.
Karl Ude-Martinez ofwel Sir Karl of Warwick, de goedlachse baas van het hele spul, is ervan overtuigd dat ook dat andere gedeelte van de eendaagse cursus geen probleem mag zijn. “Iedereen, ook al heeft hij nooit van zijn leven op een paard gezeten, is ‘s middags in staat om aan een steekspel deel te nemen. Oké, het zal misschien niet altijd even snel gaan en in sommige gevallen zelfs op een sukkeldrafje, maar jousting they go!” Naast mensen die zich serieus willen bekwamen in dit aloude ambacht verwelkomt Karl veel groepen die een originele invulling willen geven aan een vrijgezellenfeest. En af en toe mag hij een prominent verwelkomen. Op een mistige dag nam prins Philip, de eega van koningin Elizabeth, zijn lansen ter hand. En ook comedienne Ruby Wax hobbelde er eens rond. Het moet de enige keer zijn geweest dat ze het idee had een lekker klein kontje te hebben...
Ridders die uitblonken in het omver kegelen van hun tegenstrevers bereikten in vroeger eeuwen een heldenstatus die heden ten dage vergelijkbaar is met die van voetballers of Formule 1-coureurs. Oké, er viel weleens een dode te betreuren. Redelijk vaak zelfs. En omdat goede ridders ook van wezenlijk belang waren bij het alledaagse oorlogvoeren, werd het aan het Hof steeds minder gewaardeerd dat elitekrijgers hun leven in de waagschaal stelden voor zoiets futiels als een steekspel. Vergelijk het met een clubtrainer in het voetbal die zijn beste spelers liever niet afstaat voor oefeninterlands tegen Trans-Dnjestrië of Opper-Volta. Zelfs de kerk ging zich ermee bemoeien en vaardigde in de dertiende eeuw een decreet uit dat eenieder die zou sneuvelen tijdens zo’n toernooi, een Christelijke begrafenis wel op zijn buik kon schrijven. Het loodje leggen tijdens een Kruistocht werd wél op prijs gesteld.
“Wees gerust,” zegt Karl, even voor ik me met de souplesse van een mud aardappelen op mijn paard laat hijsen, “er gaat je vandaag niets gebeuren. Mijn paarden zijn eraan gewend mensen op hun rug te hebben die nog nooit eerder hebben gereden.” Ter illustratie: ik maak die trainingsrondjes in een half ridderkostuum en met een tamelijk lullig helmpje op m’n kneiter, een ding dat van de zijkant – het is niet anders – associaties oproept met het hoofddeksel van de nazi’s uit de Tweede Wereldoorlog. “Maar een volledige ridderuitrusting is niet alleen loodzwaar,” zegt Karl, “maar kost ook nog eens om en nabij de tienduizend pond. En jij bent zelf verantwoordelijk voor eventuele schade.”
Die verklaring is voldoende om het er verder niet meer over te hebben. We gaan ons allereerst bekwamen in het ringsteken, populair tijdverdrijf op braderieën van Bergen op Zoom tot Beverwijk. De opdracht is simpel: hobbel met paard en al op een ring af en steek je lans door het gaatje. Dat blijkt een makkie – alsof ik het vaker heb gedaan. Wat heet: véél vaker.
Volgt de daadwerkelijke confrontatie met een boze ridder. We krijgen een ander type stootwapen en moeten de snoodaard daarmee een oplawaai verkopen. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een pop die ronddraait als je met je lans op zijn schild knalt. Maar let op: hoe harder je de pop raakt, des te sneller hij draait. En dat kan tot onplezierige situaties leiden, want aan een ketting in zijn rechterhand heeft de onverlaat zo’n grote ijzeren gehaktbal met scherpe punten. Een goedendag werd dat wapen vroeger genoemd – en niet zonder reden. Wie de sparring partner flink raakt maar zich daarna niet op tijd uit de voeten maakt, krijgt dat Middeleeuwse slagwapen vol op z’n ruggengraat. Oppassen dus – en vooral behoedzaam rijden. Extreem behoedzaam, in mijn geval. Karl probeert me aan te sporen tot wat meer actie, maar eerlijk gezegd bevalt dit rollatortempo me wel, ook al begint hier en daar een toeschouwer afkeurend te fluiten.
En dan wordt het de Knights Of Middle England toch echt te gortig. Manu Lafron, een Franse stuntman met haar tot halverwege zijn billen, komt achter de schoft van het paard lopen. “Holland hè?” informeert hij. Ik begrijp dat ontkennen zinloos is. “Ik herinner me nog een wedstrijd op het EK,” zegt hij dan iets te gretig – en nog voor ik mijn excuses heb kunnen aanbieden voor de 4-1 heeft hij de knol al een paar klappen voor z’n kont gegeven. Het dier bedenkt zich geen moment en zet het op een rennen, een hevig schreeuwende surrogaatridder op zijn rug meezeulend. Ik trek aan de teugels en roep tegelijkertijd iets dat door een paard best eens voor een drafcommando kan worden gehouden. Er wordt dus niet gestopt – integendeel. Ik zie het hek van de rijschool dichterbij komen... Het paard draaft en draaft... en zal toch niet gaan... springen? Razendsnel schiet door m’n hoofd hoe ik als een derderangs Anton Ebben (geen jeugdheld) deze dubbele oxer neem, waarna paard en ruiter het hobbelige zandpad af stuiven, steeds verder van de rijschool verwijderd raken, Warwickshire gedag zeggen en over de vluchtstroken van de M6 en de M1 naar Londen galopperen, om uiteindelijk bij de Horse Guard van Buckingham Palace tot stilstand te komen voor een welverdiende plas. Een doemscenario waar ik geen trek in heb, dus tot groot vermaak van de omstanders schreeuw ik de longen uit m’n lijf. “STOP THAT FUCKING HORSE!!” - of woorden van gelijke strekking. En vlak voor het hek slaat het dier rechtsaf, om daarna doodleuk en op eigen initiatief tot stilstand te komen. De toeschouwers en instructeurs slaan zich op de knieën van het lachen.
Ik toon mezelf een slecht en bovenal bang verliezer en besluit een extra lange pauze te houden op het terras van The Saxon Mill, de nabijgelegen pub waar ik kip eet zoals ik dat in Floris heb zien doen. Recalcitrant als in m’n beste middelbare-schooldagen arriveer ik weer bij de Knights, veel te laat om te kunnen deelnemen aan het afsluitende toernooi. En met een schuin oog naar de edele, maar mij toch iets te eigenwijze viervoeters stoort dat me helemaal niet. Als aan het eind van de dag de ridderordes worden uitgedeeld, heb ik daar dan ook helemaal geen recht op. En tóch staat Karl erop mij tot Sir te benoemen, omdat ik me zijns inziens heel aardig heb vastgebeten op het onderdeel zwaardvechten. En omdat het anders zo zielig is. Terwijl ik natuurlijk alleen maar een Sir ben als je het op z’n Hollands schrijft.
Inderdaad: een zeur.
(uit: Panorama, 9 september 2009)