Vanuit de etalage van Coral, een wedkantoor aan Snakes Lane East in de Oost-Londense wijk Woodford Green, wordt de latent goklustige voorbijganger ‘aangesproken’ door drie spelers uit de Premier League: eentje van Arsenal, eentje van Liverpool en eentje van Tottenham Hotspur. Dat hun namen respectievelijk Robin van Persie, Dirk Kuyt en Rafael van der Vaart luiden zegt veel, zo niet alles over de wijze waarop Nederlanders het Engelse voetbal momenteel domineren.
Hoe anders is dat als het om het Nederlands elftal gaat. Tijdens een met slappe thee en korstloze sandwiches opgeleukte persconferentie voorafgaand aan de oefeninterland Engeland-Nederland, in de Ivory Room van het statige golfresort The Grove in het landelijke Hertfordshire, wordt met geen woord over het drietal gerept. En ook in de ploeggenoten van ‘RVP’, ‘Dirk Duracell’ en ‘Rafa’ is de verzamelde Engelse voetbalpers geen moment geïnteresseerd. Zoals die hele midweekse ontmoeting met de oosterburen sowieso eigenlijk maar een hinderlijke onderbreking is van het seizoen. De zinderende Carling Cup-finale tussen Liverpool en Cardiff City van een dag eerder houdt de gemoederen meer bezig dan het aanstaande aftasten op Wembley.
Als er al iets belangrijk is rond dit oefenpotje, dan is dat het antwoord op de vraag wie de aanvoerdersband overneemt van de in ongenade gevallen John Terry. Of James Milner wellicht de rol van captain op zich wil nemen, zou het journaille graag willen weten. De geblokte middenvelder van Manchester City mompelt beleefd dat het een hele eer zou zijn als hij daarvoor zou worden gevraagd en dat hij daar natuurlijk in principe geen nee tegen zegt omdat ieder jongetje daar van jongsaf aan van droomt - een riedel die zijn keepende ploeggenoot Joe Hart vierentwintig uur later bijna woordelijk zal herhalen. Meer dan het instemmende geknik van Milner heeft een tabloid als de Daily Star overigens niet nodig om de volgende ochtend met de decimeters hoge kop ‘MILNER: MAKE ME SKIPPER!’ te komen. Iets wat de speler in feite dus niet zelf zegt, tijdens het tien minuten durende perspraatje op The Grove. Sterker: hij meldt űberhaupt bijna niets, in de korte tijd dat hij zich achter de microfoon bevindt. En al helemáál niet over het duel met Holland. Simpelweg omdat daar totaal niet naar wordt gevraagd. Een ontmoeting met de vice-wereldkampioen? Het zal wel. Als het aan de Engelsen ligt, is het eerder het Nederlands elftal dat onder de indruk zou moeten zijn. Immers: Engeland al is sinds jaar en dag virtueel wereldkampioen…
Underdog is een Engels woord, maar op de nationale voetbalselectie is het nooit of te nimmer van toepassing. Hoe beroerd of verscheurd het keurkorps ook is, Engelsen gaan er altijd weer vanuit dat zij - en zij alleen – aanspraak kunnen maken op een EK- of WK-titel. Zelfs voortijdige en uiterst beschamende eliminatie, bij voorbeeld in de aanloop naar de eindtoernooien van 1974 (toen de Polen het klusje klaarden) en 2008 (toen Kroatië onneembaar bleek) heeft dat ingebakken zelfvertrouwen niet kunnen aantasten. Op papier is het eerstvolgende goud namelijk altijd weer voor Engeland.
Wat Euro 2012 betreft zal dat niet anders zijn, ook al ontbreekt het de ploeg vooralsnog aan iets tamelijk elementairs als een coach. En zijn de belangrijkste kandidaten voor die job een notoire zuipschuit die amper kan lezen en schrijven (Harry Redknapp) en een vechtersbaas die ze ‘Psycho’ noemen (Stuart Pearce). Wij Engelsen hebben het voetbal uitgevonden en wij Engelsen hebben dus recht op de titel, zo redeneert men. Voor de duidelijkheid: op élke titel.
De kille cijfers speken helaas andere taal. In 1966 pakte het land mondiaal goud. (Althans, dat beweert men overal behalve in Oost-Londen, waar ze vanwege de inbreng van captain Bobby Moore en de beide doelpuntenmakers in de finale, Geoff Hurst en Martin Peters, tot op de dag van vandaag volhouden dat niet Engeland, maar West Ham United toen wereldkampioen werd – over verregaand chauvinisme gesproken!) Maar hoe je het ook wendt of keert: na ’66 hebben de drie leeuwen op het nationale shirt nog maar bar weinig gebruld. Veel meer wapenfeiten dan een onmogelijke save van doelman Gordon Banks in 1970 en een dito kapsel van David Beckham in 2002 hebben de WK’s niet opgeleverd – de vierde plaats van 1990 geldt als het op één na beste resultaat uit de geschiedenis. De EK-palmares van de Engelsen blijft zelfs steken op tweemaal een derde plek (1968 en 1996) en geen enkele titel. Een natie die drie nét niet gewonnen WK-finales en een wel degelijk gewonnen EK-finale op zijn naam heeft staan, zou dus best wel met wat meer égards tegemoet kunnen worden getreden. Of nee: met angst en beven! En ontzag! Respect!! Want eerlijk is eerlijk: wat voetbal betreft lijdt ook Nederland een beetje aan de Engelse ziekte...
(uit: Het Parool van vandaag)